Non-dualiteit, dualiteit, Christelijk.


 

Non-dualiteit, dualiteit en het christelijk geloof

 

 

 

Over identiteit, ego en jezelf blijven in Christus

 

 

In veel hedendaagse spirituele stromingen wordt gesproken over dualiteit en non-dualiteit. Deze begrippen klinken ook steeds vaker door in christelijke contexten, soms expliciet, soms vermengd met bijbelse taal. Dat roept vragen op:

Is het christelijk geloof dualistisch? Is het non-duaal? En wat betekent dit voor wie je bent als mens in relatie tot God?

 

 

1. Dualiteit en non-dualiteit: wat wordt ermee bedoeld?

 

 

Dualiteit gaat uit van een fundamenteel onderscheid, bijvoorbeeld tussen:

 

  • goed en kwaad
  • licht en duisternis
  • God en mens

 

 

In sommige religieuze of filosofische systemen worden deze tegenstellingen gezien als gelijkwaardige machten die met elkaar in strijd zijn. Dat is klassiek dualisme.

 

Non-dualiteit, zoals die voorkomt in oosterse spiritualiteit, Advaita of New Age, stelt juist dat:

 

  • alle onderscheid uiteindelijk illusoir is
  • goed en kwaad, God en mens, subject en object uiteindelijk één zijn
  • het ‘ik’ moet oplossen om het Ene te ervaren

 

 

Het doel is vaak het verdwijnen van de persoonlijke identiteit in een allesomvattend bewustzijn of leegte.

 

 

 

 

2. Het christelijk geloof: geen dualisme en geen non-dualiteit

 

 

Het christelijk geloof neemt een eigen positie in, die niet samenvalt met één van beide.

 

 

Geen dualisme

 

De Bijbel leert niet dat goed en kwaad twee gelijkwaardige krachten zijn.

God is één, soeverein, en het kwaad heeft geen zelfstandig bestaansrecht.

 

“God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis.” (1 Joh. 1:5)

 

Kwaad is geen tegenmacht, maar een verstoring, een gebrek aan het goede.

 

 

Geen non-dualiteit

 

Tegelijk leert het christelijk geloof ook geen versmelting:

 

  • God blijft God, mens blijft mens
  • Schepper en schepping blijven onderscheiden
  • goed blijft goed, kwaad blijft kwaad

 

 

Er is verbinding, maar geen opheffing van verschil.

 

 

 

 

3. Verbinding in Christus: één zonder op te lossen

 

 

In het Nieuwe Testament wordt gesproken over een diepe eenheid met Christus:

 

“Wie zich aan de Heere hecht, is één geest met Hem.” (1 Kor. 6:17)

 

Dit klinkt voor sommigen non-duaal, maar het is iets wezenlijk anders.

 

  • Het gaat om relationele eenheid, niet om ontologische versmelting
  • De mens wordt niet God
  • De persoon verdwijnt niet

 

 

Zoals een rank één is met de wijnstok, zonder de wijnstok te worden, zo is de gelovige verbonden met Christus.

 

“Blijf in Mij, dan blijf Ik in u.” (Joh. 15:4)

 

De verbinding is echt, maar persoonlijk.

 

 

 

 

4. Ego, persoonlijkheid en identiteit

 

 

Een belangrijk onderscheid helpt hier om verwarring te voorkomen.

 

 

Het ego

 

Het ego is het zelf dat:

 

  • zichzelf moet handhaven
  • controle wil houden
  • zijn bestaansrecht ontleent aan prestatie, erkenning of zekerheid

 

 

Dit ego komt in het christelijk geloof onder kritiek.

 

“Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.” (Gal. 2:20)

 

Wat sterft, is niet jouw persoon, maar het zelf dat zichzelf draagt in plaats van God.

 

 

De persoonlijkheid

 

Je persoonlijkheid — je temperament, gevoeligheid, creativiteit, grenzen — wordt niet vernietigd.

Integendeel: zij wordt hersteld en geheiligd.

 

Petrus blijft vurig.

Johannes blijft beschouwend.

Paulus blijft analytisch.

 

God roept mensen niet ondanks hun eigenheid, maar met hun eigenheid.

 

 

Identiteit

 

Christelijke identiteit is geen zelfconstructie en geen zelfoplossing, maar een ontvangen identiteit:

 

  • kind van God
  • geroepen bij naam
  • uniek en onherhaalbaar

 

 

“Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.” (Jes. 43:1)

 

 

 

 

5. Jezelf blijven in plaats van oplossen

 

 

Waar sommige spirituele stromingen spreken over:

 

  • oplossen van het ik
  • verdwijnen in leegte
  • het overstijgen van persoon-zijn

 

 

spreekt het christelijk geloof over:

 

  • vervulling
  • relatie
  • roeping

 

 

Je wordt niet minder jezelf in God, maar meer jezelf.

 

Niet door naar binnen te verdwijnen, maar door naar buiten te leven:

 

  • in liefde
  • in verantwoordelijkheid
  • in concrete daden

 

 

“Wij zijn Zijn maaksel, geschapen om goede werken te doen.” (Ef. 2:10)

 

 

 

 

6. Geen leegte, maar gemeenschap

 

 

De kern van het christelijk geloof is geen leegte, maar gemeenschap:

 

  • gemeenschap met God
  • gemeenschap met anderen
  • gemeenschap met jezelf zoals je bedoeld bent

 

 

God is geen anonieme energie, maar een Persoon die aanspreekt, roept en liefheeft.

 

En jij bent geen druppel die terugvalt in een oceaan,

maar een mens die in verbinding leeft zonder zichzelf te verliezen.

 

 

 

 

Conclusie

 

 

Het christelijk geloof is:

 

  • niet dualistisch (geen gelijkwaardige strijdmachten)
  • niet non-duaal (geen opheffing van onderscheid)
  • maar relationeel en theocentrisch

 

 

In Christus:

 

  • sterft het ego
  • blijft de persoonlijkheid
  • wordt de identiteit vervuld

 

 

Je lost niet op in God,

je wordt bevestigd in wie je bent —

in levende verbinding met Hem.

 

 

“En nu bent u licht”

 

 

 

Over kinderen van het licht, duisternis en geen innerlijke dualiteit

 

 

In het Nieuwe Testament wordt over gelovigen een opvallende uitspraak gedaan:

 

“Want eens was u duisternis, maar nu bent u licht in de Heere.”

(Efeze 5:8)

 

Paulus zegt hier niet: u leeft soms in het licht en soms in de duisternis,

en ook niet: u hebt een licht- en een donkerdeel in uzelf.

Hij spreekt over een veranderde staat van zijn.

 

 

1. Van duisternis naar licht — niet gemengd, maar overgebracht

 

 

De Bijbel beschrijft de overgang naar Christus als een verplaatsing:

 

“Hij heeft ons overgebracht uit de macht van de duisternis in het Koninkrijk van de Zoon.” (Kol. 1:13)

 

Dat betekent:

 

  • niet twee rijken tegelijk
  • niet een innerlijke balans
  • niet een blijvende verdeeldheid

 

 

➡️ Je bent niet meer duisternis

➡️ Je bent licht in de Heere

 

Dit is geen psychologische uitspraak, maar een theologische:

het gaat over bij wie je hoort.

 

 

 

 

2. Kinderen van het licht: wat betekent dat?

 

 

Paulus spreekt over gelovigen als:

 

“Kinderen van het licht.” (Ef. 5:8; 1 Thess. 5:5)

 

Een kind:

 

  • maakt het licht niet
  • bezit het niet autonoom
  • maar leeft ervan en weerspiegelt het

 

 

Zoals de maan het licht van de zon weerkaatst, zo leven kinderen van het licht uit een ontvangen licht.

 

➡️ Het licht is niet je prestatie

➡️ Het is je nieuwe leefruimte

 

 

 

 

3. Wat is de duisternis dan nog?

 

 

Als een christen licht is, wat is dan het donker dat we soms nog ervaren?

 

De Bijbel beschrijft duisternis niet als een zelfstandige kracht in de gelovige, maar als:

 

  • afwezigheid van licht
  • verduistering
  • verstoring van waarneming

 

 

Zoals schaduw ontstaat waar licht wordt tegengehouden, zo ontstaat duisternis waar:

 

  • waarheid niet wordt vertrouwd
  • liefde niet wordt geoefend
  • het oude denken weer ruimte krijgt

 

 

Augustinus verwoordde dit scherp:

het kwaad heeft geen eigen substantie, maar is een gebrek aan het goede.

 

 

 

 

4. Geen innerlijke dualiteit, maar spanning in groei

 

 

De ervaring van strijd betekent niet dat er twee “zelven” in ons wonen.

 

De Bijbel spreekt niet over:

 

  • een licht-ik en een donker-ik
  • een blijvende innerlijke tweestrijd van gelijke krachten

 

 

Maar over:

 

  • oud denken dat afgeleerd wordt
  • nieuwe mens die aangedaan wordt
  • groei in heiliging

 

 

“Leg de oude mens af… en bekleed u met de nieuwe.” (Ef. 4:22–24)

 

➡️ De strijd is pedagogisch, niet ontologisch

➡️ Het licht is werkelijk, de verstoring tijdelijk

 

 

 

 

5. Leven in het licht is niet perfect, maar open

 

 

In de Bijbel betekent “wandelen in het licht” niet:

 

  • foutloos leven
  • altijd helder voelen

 

 

Maar:

 

  • eerlijk leven
  • open blijven
  • niets hoeven verbergen

 

 

“Als wij in het licht wandelen… dan hebben wij gemeenschap.” (1 Joh. 1:7)

 

Duisternis wordt niet verdreven door strijd, maar door toelating van het licht.

 

 

 

 

6. Praktisch: hoe ga je om met ‘donkere’ ervaringen?

 

 

Wanneer een christen:

 

  • twijfel ervaart
  • zonde ziet
  • innerlijke onrust voelt

 

 

is dat geen bewijs van een duistere kern, maar een uitnodiging om:

 

  • het licht opnieuw ruimte te geven
  • waarheid toe te laten
  • je te herinneren wie je bent

 

 

Niet: “ik ben weer donker”

Maar: “het licht mag hier opnieuw doorwerken.”

 

 

 

 

Conclusie

 

 

Het evangelie zegt niet:

 

“Je bent deels licht en deels duister.”

 

Maar:

 

“Je wás duisternis — nu bén je licht in de Heere.”

 

 

  • Het licht is echt
  • De duisternis is geen macht in jou
  • Maar een verstoring die wijkt waar het licht wordt toegelaten

 

 

Kinderen van het licht leven niet uit angst voor het donker,

maar uit vertrouwen in het licht dat hen draagt.