Gedicht


Thuis in een veld vol zonnebloemen

Het meisje,
wandelend door de straten.
Huppelend naar school.

Altijd vrolijk.
Altijd energiek.
Altijd blij.

Een dromer.
Een bewonderaar.

Alles is nog nieuw.
Alles is nog onbekend.

“Wauw… kijk die vlinders.”
“Wat is de natuur toch mooi.”

Al die kleuren.
Al dat leven.

Stralend, verwonderd
huppelt ze verder.

Ze voelt zich verbonden met het leven,
maar niet met de wereld.
Verbonden met God,
maar niet met de hardheid hier.

En langzaam
glijdt ze verder
in haar eigen bubbel.

Waar mag ze stralen?
Waar mag ze verwonderen?
Waar mag ze vol licht en vreugde zijn?

Huppelend door de straten —

“Je hoort hier niet.”

Gepest.
Geplaagd.
Weggepest uit de klas.

“Je hoort hier niet.”

En toch weet ze diep vanbinnen:
dat is een leugen.

Geslagen.
Geschopt.
Vernederd.
Misbruikt.

“Je hoort hier niet.”

Maar haar ziel fluistert:
Leugen.

De vijand probeerde haar te breken.
Probeerde haar te laten geloven
dat ze teveel was,
te anders,
te zacht.

Maar God is altijd sterker.
Zijn licht breekt door alles heen.

Huppelend met een kleurrijke tekening —
uit liefde voor mama gemaakt —

Een scooter.
Een klap.
De lucht.
De pijn.

Waarom wordt licht aangevallen?
Waarom wordt liefde afgeremd?
Waarom wordt vreugde verstikt?

Maar God heeft het laatste woord.

Wakker in oma’s schoot.
Veilig.
Geliefd.
Ze is er nog.

En weer huppelt ze.
Kijkt naar vlinders.

Maar de stemmen blijven:
Ze is raar.
Ze is vaag.
Ze leeft in een bubbel.
Ze kijkt door een roze bril.

Ze hoort hier niet.

Zoekend naar waarheid.
Zoekend naar verbinding.
Zoekend naar veiligheid.
Zoekend naar ruimte.

Ruimte voor vreugde.
Ruimte voor licht.

Ik ben een kind van God.
Van top tot teen.
Bedoeld.
Geliefd.
Vergeven.

En toch —

Alles overweldigt.
Alles overspoelt.
Alles is teveel.

Een oorlogsgebied
in het zenuwenstelsel.

Maar bij God —
is altijd genoeg.
Altijd rust.
Altijd vrede.

En daar
begon ze te bloeien.

Ze hoorde inderdaad niet bij hen.
Ze was inderdaad anders.

Niet minder.
Maar uniek.

Haar cocon
was geen zwakte.
Het was bescherming.

En toen brak ze open.

Overgeplaatst
van duisternis
naar het Koninkrijk van Licht.

Daar waar ze wél thuis hoort.

Daar kreeg licht ruimte.
Daar stroomde liefde overvloedig.
Daar mocht vreugde vrij ademen.

Daar was vrijheid.

Ze kwam thuis.
In de waarheid.
In Christus.

En ze liep weer door de straten.

Niet meer klein.
Maar volwassen.
Met eelt op haar ziel.
Met littekens
die nu getuigenissen zijn.

Ze begon te schrijven.
Ze begon te spreken.

Woorden die altijd waren gedimd
kregen volume.

Woorden van leven.
Woorden van waarheid.
Woorden van doorbraak.

Jezus leeft.
Hij overwon.
En ik zal leven.
En ik zal spreken.

En aan ieder meisje
dat zich nog klein voelt,
dat zich nog onveilig voelt,
waar het zenuwenstelsel
een oorlogsgebied is —

hoor dit:

Er is niets mis met jou.

Je bent een zonnebloem
in een veld vol tulpen.

En ooit —
kom je thuis
in een veld vol zonnebloemen.

En dan begrijp je
wat God al die tijd
met jou bedoelde.

Je mag er zijn.

Uniek geschapen.
Geliefd.
Helemaal jij.

 

Liefs,

Sandy Vanessa.


Lief zenuwenstelsel,

 

Lief zenuwstelsel,

je hebt zo lang gewaakt. Gecheckt. Geordend. Geperfectioneerd. Alles om het veilig te maken.

Maar luister: het hoeft niet meer.

 

God is er niet pas als jij perfect bent.

Niet pas als je omstandigheden kloppen.

Niet pas als alles op orde is.

 

Hij is er. Altijd.

In de hoogte en in de diepte.

In de chaos en in de rust.

Hij ís de rust. Hij ís de orde. Hij is jouw veilige schuilplaats.

 

Zijn liefde hoef je niet bij elkaar te rapen.

Die hoef je niet te bouwen.

Hij is naar jou toe gekomen — in Jezus Christus.

De Weg, de Waarheid en het Leven.

 

Je ziel is veilig in Hem.

Schuld en schaamte mogen los.

Je mag komen zoals je bent.

Je mag weer stralen in Zijn licht.

 

Je hoeft je niet meer te verstoppen.

Wie kan tegen je zijn, als God met je is?

 

🤍

 

Bijbelvers:

“Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?”

— Romeinen 8:31