Gedichten/overdenkingen


Ik was aan het bidden en bedacht mij hoe ritmisch God de hele schepping heeft geschapen.


Ik heb altijd al behoefte gehad aan structuur, aan een kader,

maar tegelijkertijd aan vrijheid,

want ik wilde geen slaaf zijn van die kader,

dat benauwde me, raakte ik van verstrikt.

Ik kreeg de diagnose autisme,
omdat m’n brein danst in oneindige vrijheid, maar tegelijkertijd de hele dag alles wilt ordenen.

Rust. Duidelijkheid.
En in de diepte begint m’n ziel te dansen,

maar m’n brein te verdwalen in de overspoelende prikkels.
In de hoogte, vind ik liefde,
Maar verlangt m’n lijf naar rust, knus
en gewoon stilte en hier zijn.

En God antwoordde in m’n gebed:


Lief kind,
Autisme is geen ‘defect’
Het laat iets zien van hoe God
iets van Ritme in de schepping heeft gelegd, zoals alles iets van ZIJN liefde laat zien.

Je bent onderdeel van mijn schepping, en jouw deel mag zichtbaar worden, zodat de wereld een deel van mij leert kennen.

De hele schepping danst op ZIJN ritme.

(En hoe mooi is het, dat iemand met een autistisch brein, daar iets van oppikt, het dieper waarneemt, het ‘ziet’.

Breng het maar de wereld in, niets is ‘defect’, het was al die tijd onderdeel van ZIJN plan.’ Amen.

Er is een ritme in de stilte,
een maat in het licht en in de schaduw.
De zon komt op, de maan vervaagt —
en ergens daartussen klopt het hart van God.

Vanaf het begin danst de schepping op Zijn adem:
avond en morgen, zaaien en oogsten,
spreken en zwijgen, werken en rusten.
Elke cyclus zingt een oud refrein:
God is trouw — steeds weer.

Soms vertraagt Hij ons tempo,
soms duwt Hij ons vooruit,
maar altijd nodigt Hij ons uit
om te bewegen op Zijn ritme —
niet sneller, niet langzamer,
maar in de pas met Zijn genade.

Want ook rust is aanbidding,
en stilte is muziek.
Wie luistert met een stil hart,
hoort hoe de hele schepping
mee klopt op het ritme van de Eeuwige.

Dansend in het Leven

 

Dansend in de regen,

op blote voeten in het gras.

Zingend, huppelend door de straten,

met mijn wangen in de zon.

 

Stampend in de plassen,

een regenboog in de spetters,

zoveel kleuren.

Groen gras, kriebelend tussen mijn tenen,

verblind door het licht.

Gedragen. Geliefd. Vrij.

 

Wandelend door krakende sneeuw,

als zachte kussentjes onder mijn voeten,

terwijl de zon dwars door de bomen schijnt.

Rennend tussen de weilanden,

met de wind door mijn haren,

terwijl mijn hart stormt.

 

De vreugde.

De verblijding.

Die altijd blijvend is.

 

Verwonderd kijk ik naar de bliksem in de lucht

en tel ik de seconden

tot de donder klinkt.

Elk seizoen draagt zijn eigen schoonheid.

Verwondering.

Verheuging op wat komt.

 

Nieuwe seizoenen.

Nieuwe avonturen.

Nieuwe ervaringen.

Nieuwe belevingen.

 

Zwemmend door ijskoud water,

bibberend,

verfrissend,

verkwikkend.

 

Rennend, op blote voeten door het bos,

met de wind door mijn haren.

De vreugde.

De verblijding.

Die altijd blijvend is.

 

Er is een traan.

Een gemis.

Een leegte.

Wanneer het harder regent

dan mijn paraplu kan dragen.

Maar zelfs dan twinkelen de tranen

in het maanlicht,

en verandert de leegte

in verheuging.

 

Ik kijk naar de sterren in het donker

en weet:

er is altijd licht.

Ook in het donker.

 

En juist daar

begon ik te dansen,

te zingen,

me te verblijden.

Want je weet wat ze zeggen:

bij iedere begrafenis

zouden ijsverkopers moeten zijn.

 

Een traan, een gemis,

gebruikt voor het goede.

Een vervulling.

Een vreugde.

Een zachte, lichte verblijding.

 

Hoop.

Hoop op beter.

Hoop op mooier.

Hoop die leven geeft.

 

Een zaadje in de aarde,

hopend op vrucht.

Hopend op oogst.

Hopend op later.

 

En tijdens het wachten

dans ik,

zing ik,

verblijd ik mij,

verheug ik mij,

en doe ik wat ik kan.

 

De vreugde.

De verblijding.

Die altijd blijvend is.

 

Dansend op blote voeten in het gras,

verwonderd over vlinders die fladderen

in hun prachtige kleuren.

Over bloemen die groeien,

met tere blaadjes.

 

Ik dans om de feesttafel.

Al jaren.

 

Dans ik mijn eigen feest?

Of wacht ik

tot de tafel zich vult

met blije, verheugde, geliefde, stralende mensen,

om samen het eeuwige feest te vieren?

 

Sommigen begrijpen het niet.

De één dooft het licht.

De ander sluit zich af.

Weer een ander loopt gebukt.

 

Sommigen vinden het alleen iets voor kinderen.

Die tijd waarin je mocht dromen,

je mocht verwonderen,

je mocht verblijden.

 

Nu is alles strak.

Alles recht.

Alles gevangen in wetten en regels.

 

Maar waar is de vonk gebleven?

Waar is de vonk?

 

Wie durft zijn voeten weer in het licht te zetten?

Wie durft mee te dansen?

Wie durft vrij te zijn?

Wie durft te hopen,

zelfs als alles donker lijkt?

 

Zelfs dan.

Juíst dan.

 

Wie durft ballonnen en slingers op te hangen

midden in de chaos?

Wie durft te glimlachen

midden in oorlog?

 

Wie durft?

 

Is dat niet waar het geloof in Jezus om draait?

Wandelen in Zijn licht,

onder alle omstandigheden.

 

Wie kiest voor leven?

 

Adem jij vandaag het leven in?

Durf je weer te zingen op straat?

Durf je je te verwonderen en te verblijden?

Durf je de zon op je huid toe te laten

en de sneeuw te horen kraken onder je voeten?

 

Durf je weer te ontvangen

wat God je heeft gegeven?

 

God gaf je het leven.

Leef je het vandaag?